3e Britse leger verzameld voor aanval in de Peel.

De bevrijding van Zeilberg en Deurne

vrijdag 27 september 2019 - 14:25|Hans van Toer

De Tweede Wereldoorlog woedde in de periode 1940-1944 ook in de Peel. Nu, 75 jaar later, staan we stil bij onze bevrijding. Een jaar lang blikken we in deze rubriek terug op de gebeurtenissen van toen. Van algemene verhalen tot persoonlijke herinneringen uit Asten, Someren, Deurne en omgeving. Vandaag aflevering 38: De bevrijding van Zeilberg en Deurne.

Op de zondagmorgen van 24 september gingen de eerste verkenners van de Monmouthshire A-company en de B-squadron tankbemanning van het 3th Royal Tank Regiment richting Zeilberg. Hun doel was te ontdekken waar de Duitsers zich bevonden en welke route de meest veilige was. Zij waren niet de enigen, vertelden bewoners van Zeilberg later. Ook onderdelen van de Duitse 107e Pantserbrigade zouden via Deurne naar ‘’t schonste plekske in de Peel’ geleid worden. De Duitse troepen van de 180e infanteriedivisie waren daar al aanwezig. Zij hadden de opdracht gekregen de aankomst van de 107e Pantserbrigade voor te bereiden en tussen Liessel en Zeilberg de opmars van de Monmoutshire Company en de Royal Tanks te vertragen.

De geallieerden vertrokken om 6.45 uur vanuit Liessel. Zij naderden om 8.00 uur Zeilberg via de Breemortel en de Snoertsebaan.

Om 8.30 uur werden de Britten onder vuur genomen door Duitsers die met hun artillerie op de Langstraat in Deurne stonden, en door de Duitse infanteristen die nog in en om Zeilberg zaten. Ondanks dat maakten de Britten in betrekkelijk korte tijd korte metten met hun opponent. Het B-squadron reed dwars door het prikkeldraad en de sloten en via de Breemortel en de Snoertsebaan kwamen de tanks Zeilberg binnen. Daar sloten de infanteristen van de A-company de Duitsers in vanaf de Hagelkruisweg en de Griendtsveenseweg. Die kwamen daardoor klem te zitten ter hoogte van de kerk en het klooster aan de Blasiusstraat. Daar vond een kort en hevig vuurgevecht plaats, waarbij het klooster een granaatinslag moest incasseren en het Patronaat vijf inslagen. De kerk werd gespaard ondanks de Duitse observatiepost bovenin de toren.

Vervolgens probeerden de Duitsers weg te komen richting Griendtsveen, onder andere met een munitiewagen. De bemanning daarvan had kort daarvoor nog een aantal inwoners van Zeilberg gewaarschuwd voor het treffen en ze geadviseerd een veilig heenkomen te zoeken. Een aantal inwoners waaronder Jan van de Mortel verklaarde later dat bijvoorbeeld zijn moeder het leven aan deze Duitse soldaten te danken had. Voor diezelfde ‘aardige’ Duitsers was even later het einde daar; de wagen waarop ze zaten explodeerde aan de Griendtsveenseweg toen die werd geraakt door een Engelse granaat.

Herinneringen aan de bevrijding
Hoe beleefden de Zeilbergse mensen die bevrijding …?

Onderstaand enkele uitspraken van door de Werkgroep Dodenherdenking Zeilberg geïnterviewde dorpsgenoten, die antwoord gaven op deze vraag.

Anna van Rijt-Van Bakel (1925) vertelt: “Ik werkte op de boerderij van de familie Van Heijst aan de Kulert en de koeien moesten gemolken worden voordat we naar de kerk zouden gaan. Terwijl ik met knecht Jan Munsters op mijn hurken onder de koeien zat, vlogen de granaten over ons heen. Maar sommige vielen ook in het weiland waar wij zaten te melken. Eenmaal klaar, hebben we de baas verteld dat dit niet meer te doen was.”

Broer Kuunders woonde met zijn familie aan de Pannenschop en hoorde zondagmorgen vroeg het geratel van geweren en mitrailleurs. Toen het buiten rustiger werd, gingen ze voorzichtig kijken. Hij ging bovenop de regenput staan en zag zo de eerste bevrijders. Zijn broer zat bovenop het dak van het huis en riep opgewonden: “Daar komen Engelse tanks aan!” Broer antwoordde: “Kom maar naar beneden, dadelijk schieten ze je er nog vanaf!”

Zoals elke zondag was de moeder van Piet Bouwmans ’s ochtends in de kerk. Piet vertelt: “Tijdens de preek van pastoor Van Aalst hoorden de mensen in de kerk al de herrie van de geweren. Toen ze de kerk wilden verlaten kon mijn moeder al niet meer naar ons huis aan de Zeilbergsestraat komen. Het was te gevaarlijk op straat. Na lang wachten is ze via het café van Nierke Beijers op de Blasiusstraat en de tuinen achter het café bij ons in de tuin gekomen. Ze dook meteen de kelder in, waar ik ook al zat. Toen het rustig was geworden keken we naar buiten. Er stond een Britse tank bij ons in de tuin en de bemanning werd door de familie opgelucht begroet. Het eerste wat ik zag toen ik op straat keek waren vier Duitsers die met hun handen omhoog stonden. Ze hadden zich net overgegeven.”

Herman van Diessen (1922) woonde bij de Merlenbergseweg, vlakbij het kruispunt van de Griendtsveenseweg en de Blasiusstraat. Hij vertelt: “Op een gegeven moment ging het bij ons zo tekeer dat we het huis uit zijn gevlucht en kruipend door de sloot zijn gegaan om maar uit het zicht van de Duitsers te blijven. Aan de overkant bij Van de Broek, wat nu de Beatrixstraat is, hoorden we een ontzettend luide explosie. Later bleek dat de Britten daar een Duitse munitiewagen in brand hadden geschoten.”

Daan Peters-Van de Mortel was ‘s morgens met haar moeder naar de kerk gegaan. “Tijdens de preek waarschuwde pastoor Van Aalst ons dat het buiten waarschijnlijk niet meer veilig was. Een aantal parochianen ging de kelder van de kerk in om voor het oorlogsgeweld te schuilen. Ons moeder wilde naar huis en toen we buiten liepen, zagen we een Duitse wagen met soldaten. Zij zeiden dat we niet verder mochten, want dat was te gevaarlijk. De Duitsers die ons waarschuwden, zijn later met hun munitiewagen verongelukt op de Griendtsveenseweg.”

Mariet van de Kerkhof-Van Rijt woonde met haar familie in de Kulert. “Op vrijdag 22 september kwamen er drie Duitsers bij ons op de boerderij”, herinnert ze zich. “Ze wilden fietsen hebben. Een van die Duitsers vertelde, toen hij even alleen stond, dat zijn twee zonen en een oudere broer waren gesneuveld in die ‘Scheißkrieg’.”

Mariet vertelt verder: “Op 24 september waren wij thuis want het was veel te gevaarlijk op straat. De Duitsers trokken richting Venray en staken een korenmijt in brand, zodat ze door de rook dekking hadden. Vervolgens sloegen ze op de vlucht. Om 11.00 uur kwamen de Britten, die pardoes met een tank de hoek van ons huis binnen reden. Dat was ze wel vergeven, zo blij waren wij om ze te zien. Het eten wat we ze aanboden moesten we zelf eerst voorproeven, omdat ze eerder ooit vergiftigd voedsel hadden gekregen. Een dag later op maandag 25 september zaten er twee Duitsers bij ons in de sloot. Ze gaven zich over aan onze vader en vroegen waar de Tommies waren. Die hebben hen later meegenomen.”

De familie Van Ooij woonde aan de Clarinetweg 38 in Zeilberg. Zij waren die 24e september thuis toen de eerste Britse tanks vanaf de Snoertsebaan de spoorwegovergang over ratelden. Na de bevrijding van Zeilberg kwam er achter het huis een noodhospitaal en afweergeschut te staan. De schrik van de oorlog zat er zo goed in, dat ze tot 1955 uit voorzorg voorraden hebben bewaard voor het geval er weer een oorlog zou uitbreken.

De bevrijders kwamen die 24e september niet verder dan de Lupineweg. Mensen die woonden aan bijvoorbeeld de Griendtsveenseweg tussen de Lupineweg en de Halte in, moesten daardoor tot 20 oktober wachten, alvorens ze door de 7e Amerikaanse pantserdivisie werden bevrijd. 

Door het oog van de naald

Op 24 september 1944 werd Deurne bevrijd. Een heugelijk feit. Toch had het veel slechter kunnen aflopen. Tijdens de befaamde ‘bevrijdingsdagen’ van Deurne en de omliggende dorpen beseften de Duitsers niet hoe beroerd de geallieerde aanvoer vanuit Normandië was.

Nadat men op 5 september, ofwel ‘dolle dinsdag’, al te vroeg juichte in Nederland, wordt het er daarna niet veel beter op. De aanvoer van brandstof en munitie vanuit Normandië stokt. De aanvoerlijn is simpelweg te lang. De geallieerden hebben nog altijd geen beslag kunnen leggen op de haven van Antwerpen. Grote en zware transportschepen kunnen daardoor de soldaten niet bereiken. De noordelijke oever van de Schelde wordt nog steeds bezet door het 15e leger van Von Zangen. Behalve dat de aanvoer bij de geallieerden begint te haperen en de brug bij Arnhem een stap te ver is, hebben de Duitsers ook zo hun problemen. Jonge jongens en oudere mannen moeten snel klaargestoomd worden om aan het front mee te vechten en, net zoals bij de geallieerden, de generaals worden het niet eens over welke tactiek het beste is.

De Duitse verdediging rondom Deurne
Op zondag 24 september krijgt majoor Berndt-Joachim von Maltzahn een belangrijke nieuwe opdracht. Tijdens zijn terugtocht naar Deurne, die via Erp, Gemert en de Mortel liep, moet de Duitse majoor op het belangrijke wegennet een nieuw front vormen. Zijn 107e Pantserbrigade bevindt zich op dat moment in Bakel. Hij moet zijn opmars richting Deurne staken en in Bakel links afslaan richting Milheeze. Via De Rips en Oploo moet de brigade van majoor Von Maltzahn naar Overloon om daar de verdedigingslinie, die eigenlijk voor Deurne bedoeld was, in te richten. Waarom ineens deze plotselinge manoeuvre in opdracht van kolonel Walter Model, waardoor niet Deurne, maar Overloon het frontgebied wordt?

Dat heeft een simpele reden. Er zijn geallieerde troepen gesignaleerd bij Mill, Haps en Sint Anthonis. Op dat moment zijn er geen Duitse troepen meer aanwezig tussen de Peel en de Maas. Dat betekent dat als de geallieerden doorstoten naar het zuiden, de Duitse troepen die zich nog bij de Zuid-Willemsvaart bevinden afgesneden zullen worden van de collega-troepen aan de andere kant van de Maas. Er gaat echter veel overleg aan de plotselinge manoeuvre vooraf. Het ’Opperbevel’ in Berlijn is het niet eens met kolonel Model. In hoogsteigen persoon geeft Adolf Hitler in eerste instantie het bevel om het gat dat bij Eindhoven is ontstaan te dichten, maar dat gaat Model te ver. Zijn brigade heeft namelijk net geprobeerd de geallieerden bij Veghel en Uden terug te dringen, maar de overmacht van de vijandelijke soldaten is veel te groot. Uiteindelijk geeft Hitler toestemming om ten westen van de Maas een nieuw front te vormen met de 107e Pantserbrigade, aangevuld met verse troepen uit de Heimat. Hij doet dit uit respect voor kolonel Model. Die heeft in de oorlogsjaren aan het oostfront zeer verdienstelijke resultaten geboekt. En zo wordt besloten om, vlak voordat de 107e Pantserbrigade Deurne binnenrijdt, een manoeuvre te maken naar Overloon. Dit zodat de Duitse troepen aan de Zuid-Willemsvaart zich bij de troepen onderweg naar Overloon kunnen voegen.

Als de geallieerden dit hadden beseft en daadwerkelijk hadden doorgestoten, dan waren alle Duitse troepen ten westen van de Peel afgesneden van de troepen aan de oostkant, en waarschijnlijk verloren gegaan.

Zodoende kruipt Deurne gelukkig ’door het oog van de naald’, gezien de schade later bij Overloon. Daar wordt van 30 september tot 15 oktober hard gevochten. De Duitsers treffen daar eerst de 7e US Armored Divisie en later het 3e Britse leger.

Schietschijf
Op 24 september 1944 omstreeks 13.00 uur komen vanuit Liessel de eerste verkenners van de Monmouthshire aan. Zij bereiken al gauw de eerste huizen van Deurne. Daar worden ze door de bewoners gewaarschuwd: in de buurt van de Markt zitten Duitsers verschanst. Niet veel later arriveren vanuit Liessel, via de nu Oude Liesselseweg, en opnieuw Zeilberg extra troepen van de Monmouthshire. Ook de 3e Royal Tanks bereiken Deurne. De troepen, onder leiding van Ernest Cambell, gaan vanuit Zeilberg via de Molenstraat Deurne in, met in hun achterhoofd de waarschuwing van de bewoners. Cambell merkt dat zijn mannen die op de tanks zitten enorm twijfelen. Ze hadden duidelijk geen zin om schietschijf van de Duitsers te worden. Als officier beseft Cambell dat hij nu het voorbeeld moet geven en hen moet overtuigen dat het wel degelijk veilig is. Hij rijdt met zijn adjudant in hun verkenningscarrier als eerste de Markt op. Daar rijdt hij eerst een rondje en terwijl iedereen op het eerste schot wacht gebeurt er helemaal niks. Doodse stilte overheerst. Maar net op het moment dat Cambell de infanteristen overtuigd lijkt te hebben, vallen er plotseling schoten.

George Foster, die met zijn eenheid ‘The Green Howards’ via de Molenstraat en Lindenlaan naar de Kerkstraat sluipt, wordt geraakt en sneuvelt. Het lichaam van Foster ligt midden op straat en Cambell ziet en hoort dat zijn manschappen halthouden. Hij voelt dat hij wederom iets moet doen. Om zijn mannen opnieuw te overtuigen loopt hij naar de gesneuvelde George Foster en raapt zijn geweer op. Hij kijkt nog eens in de rondte en roept: ‘Zien jullie wel, het is veilig hier!’, en hij loopt naar de voorste mannen van de Monmouthshire toe. Daar geeft de dappere Cambell het geweer van Foster af. Later zal Cambell toegeven: ‘Het was of ik naar de galg liep.’ Cambell zijn heldendaad zorgt voor vertrouwen bij de troepen en even later staat het centrum van Deurne vol met Britse bevrijders. De 31-jarige George Foster wordt later in een veldgraf begraven op de hoek van de Kerkstraat-Molenlaan in de tuin van de familie Stevens. Zijn directe leidinggevende Higgins schrijft in een brief aan de ouders van Foster dat hun zoon op straat gesneuveld is door mitrailleurvuur.

Nu was er nog één obstakel in Deurne, het kasteel, waar de laatste fanatieke Duitsers zich hadden verschanst. Maar daarover later meer.